I
“Wat een vormeloze jurk.”
“Dat valt reuze mee.”
Ze trekt de jurk uit
en laat zien dat ze gelijk heeft.
‘Zeur’, denkt ze.
II
“Waarom verschijn jij elke dag op slippers?
Het zijn zelfs Crocs.”
“Omdat het vakantie is,
omdat het er weer voor is,
omdat ik er uren op kan lopen.”
‘Zeur’, denkt ze.
III
Ze trekt ondergoed aan,
onzichtbaar onder een dun zomerjurkje.
De vakantieman geeft advies.
“Zwart staat veel beter
op zo’n blanke huid
als die van jou.”
“Het is zomer,
dan draag ik zomerkleding.
Een zwarte slip is dan geen gezicht.”
‘Zeur’, denkt ze.
IV
“Dat is geen nieuw badpak,”
constateert de vakantieman
als ze de door deze man
nog niet
becommentarieerde jurk
heeft uitgetrokken.
“Dat klopt,
het is een paar jaar oud.”
“Ik vind het ouderwets.”
“Met mijn blanke huid
stel ik andere eisen
aan een badpak
dan de gemiddelde vrouw,
en daardoor ziet’ ie er
niet
volgens de laatste mode uit.
Who cares?”
Zij niet.
Zo’n man dus wel.
‘Zeur’, denkt ze.
V
Bij het eerste biertje vraagt ze:
“Waarom heb je mij aangesproken?”
“Door je uitstraling.”
Hij blijkt attent,
energiek,
heeft humor
én
hij begrijpt
hoe het vrouwenlichaam werkt.
Heerlijk,
zo’n vakantieman.